Wat zegt Jezus over Licht?



Johannes 1:1-5 1

In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Het was in het begin bij God. Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat. In het Woord was leven en het leven was het Licht voor de mensen. Het Licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet in haar macht gekregen.


1 Johannes 1-5

Dit is wat wij hem hebben horen verkondigen en wat we u verkondigen: God is Licht, er is in hem geen spoor van duisternis. Als we zeggen dat we met hem verbonden zijn, terwijl we onze weg in het duister gaan, liegen we en leven we niet volgens de waarheid. Maar gaan we onze weg in het Licht, zoals hijzelf in het Licht is, dan zijn we met elkaar verbonden en reinigt het bloed van Jezus, zijn Zoon, ons van alle zonden.


Johannes 8-12

Jezus nam opnieuw het woord. Hij zei: Ik ben het Licht van de wereld. Wie mij volgt loopt nooit meer in de duisternis, maar heeft Licht dat leven geeft.


Lucas 11: 34-35

Het oog is de lamp van het lichaam. Als je oog helder is, is je hele lichaam verlicht. Maar als het troebel is, verkeert je lichaam in duisternis. Let dus op of het Licht dat in je is, niet verduisterd is.


*************************************************************************************************************

ACIM 11.III.4.

Wandel in het licht en heb geen oog voor die duistere metgezellen, want ze zijn niet geschikt als metgezel voor de Zoon van God, die uit licht en in het licht geschapen werd. Het Grote Licht omgeeft jou altijd en straalt door jou uit. Hoe kun jij in zo’n licht die duistere metgezellen zien? Als jij hen ziet, komt dat alleen doordat je ontkent dat het licht er is. Ontken daarentegen dat zij er zijn, want het licht is hier en de weg is vrij.


ACIM T-18.III.8

Er is niet één licht in de Hemel dat jou niet vergezelt. Er is niet één Straal die voor eeuwig in Gods Denkgeest schijnt, die ook niet op jou schijnt. De Hemel voegt zich bij jou in je voortgang naar de Hemel. Kun jij in het duister blijven wanneer zulke grote lichten zich bij jou hebben gevoegd om het vonkje van jouw verlangen de macht van God Zelf te geven? Jij en je broeder komen samen thuis, na een lange, betekenisloze reis die jullie afzonderlijk hebben ondernomen, en die nergens toe heeft geleid. Je hebt je broeder gevonden en je zult elkanders weg verlichten. En vanuit dit licht zullen de Grote Stralen zich uitbreiden, achterwaarts tot in het duister en voorwaarts tot God, om het verleden weg te schijnen en zo plaats te maken voor Zijn eeuwige Tegenwoordigheid, waarin alles straalt in het licht.


ACIM T-22.VI.4.

Deze heilige relatie, lieflijk in haar onschuld, machtig in haar kracht, en met een oogverblindend licht veel helderder dan de zon die de hemel verlicht die jij ziet, is door je Vader verkozen tot middel voor Zijn eigen plan.


ACIM T-25.IV.3. 4-7

Van jou uit kan een wereld ontstaan waarvan de aanblik hen verheugen zal, en waar hun harten zich zullen verblijden. In jou is een visie die zich tot hen allen uitbreidt, en hen in zachtmoedigheid en in licht hult. En in deze wijder wordende wereld van licht wordt het duister dat ze dachten dat er was, weggeschoven tot het slechts een schaduw in de verte is, ver weg, snel vergeten wanneer de zon die weg schijnt tot niets. En al hun ‘kwade’ gedachten en hun ‘zondige’ hoop, hun dromen van schuld en genadeloze wraak, en elke wens om te kwetsen, te doden en te sterven, zullen als sneeuw verdwijnen voor de zon die jij brengt.