


Hier zijn de eerste 50 herhalingslessen uit het weergaloze boek “Een Cursus in Wonderen”.
Herinner je dit:
Niets werkelijks wordt bedreigd.
Niets onwerkelijks bestaat.
Hierin ligt de vrede van God.
Theorieën leggen een waardevolle grondslag voor betekenis, maar het doen van de lessen zal het doel binnen bereik brengen. “Een ongeoefende denkgeest kan niets tot stand brengen.”
“Het doel van het Werkboek is om je denkgeest op een systematische manier te trainen zodat hij alles en iedereen in de wereld anders waarneemt.”
“Onthoud alleen dit: je hoeft de ideeën niet te geloven, je hoeft ze niet te accepteren en je hoeft ze zelfs niet te verwelkomen. Het is mogelijk dat je sommige afwijst. Niets van dit alles maakt iets uit of doet iets af aan hun doeltreffendheid. Maar sta jezelf geen uitzonderingen toe op het toepassen van de ideeën uit het Werkboek, en wat je reactie op die ideeën ook is, pas ze toe. Meer wordt er niet van je gevraagd.”
Voor het beste resultaat adviseren wij je deze tekst twee keer per dag te lezen. Een keer ’s morgens en een keer ’s avonds.
De tekst is ook verkrijgbaar als handzaam A6-boekje.
(1) Niets wat ik zie betekent iets.
De reden dat dit zo is, is omdat ik niets zie, en niets heeft geen betekenis. Het is noodzakelijk dat ik dit erken opdat ik kan leren zien. Wat ik nu denk te zien neemt de plaats in van visie. Ik moet het loslaten door me te realiseren dat het geen betekenis heeft, zodat visie de plaats ervan kan innemen.
(2) Ik heb alles wat ik zie alle betekenis gegeven die het voor mij heeft.
Ik heb alles waar ik naar kijk beoordeeld en dit, en alleen dit, is wat ik zie. Dit is geen visie. Het is slechts een illusie van de werkelijkheid omdat mijn oordelen geheel los van de werkelijkheid zijn geveld. Ik ben bereid het gebrek aan deugdelijkheid in mijn oordelen te erkennen omdat ik wil zien. Mijn oordelen hebben mij pijn gedaan, en ik wil niet volgens die oordelen zien.
(3) Ik begrijp niets van wat ik zie.
Hoe zou ik kunnen begrijpen wat ik zie, wanneer ik het verkeerd beoordeeld heb? Wat ik zie is de projectie van mijn eigen dwalingen in denken. Ik begrijp niet wat ik zie omdat het niet te begrijpen is. Het heeft geen zin om te proberen het te begrijpen. Maar er is alle reden om het los te laten en ruimte te maken voor wat kan worden gezien en begrepen en liefgehad. Ik kan wat ik nu zie hiervoor inwisselen, alleen maar door bereidwillig te zijn om dat te doen. Is dit niet een betere keuze dan de keuze die ik eerder maakte?
(4) Deze gedachten betekenen niets.
De gedachten die ik gewaar ben, betekenen niets omdat ik probeer te denken zonder God. Wat ik ‘mijn’ gedachten noem, zijn niet mijn werkelijke gedachten. Mijn werkelijke gedachten zijn de gedachten die ik denk met God. Ik ben ze niet gewaar omdat ik mijn gedachten hun plaats heb laten innemen. Ik ben bereid te erkennen dat mijn gedachten niets betekenen en ik ben bereid ze te laten gaan. Ik kies ervoor dat ze worden vervangen door wat zij geacht werden te vervangen. Mijn gedachten zijn zonder betekenis maar de hele schepping ligt in de gedachten die ik denk met God.
(5) Ik ben nooit overstuur om de reden die ik denk.
Ik ben nooit overstuur om de reden die ik denk omdat ik voortdurend probeer mijn gedachten te rechtvaardigen. Ik probeer ze voortdurend waar te maken. Ik maak van alle dingen mijn vijand, zodat mijn boosheid gerechtvaardigd is en mijn aanvallen gewettigd zijn. Ik heb me niet gerealiseerd hoezeer ik alles wat ik zie heb misbruikt door er deze rol aan toe te kennen. Ik heb dit gedaan om een denksysteem te verdedigen dat mij pijn heeft gedaan en dat ik niet langer wil. Ik ben bereid het te laten gaan.
(6) Ik ben overstuur omdat ik zie wat er niet is.
De werkelijkheid is nooit beangstigend. Het is onmogelijk dat ze me overstuur zou kunnen maken. De werkelijkheid brengt alleen maar volmaakte vrede. Wanneer ik overstuur ben, komt dat altijd omdat ik de werkelijkheid door illusies, die ik zelf verzonnen heb, heb vervangen. De illusies maken me overstuur omdat ik ze werkelijkheid heb toegekend en ik dus de werkelijkheid als een illusie beschouw. Niets in Gods schepping wordt ook maar in enig opzicht door deze verwarring van mij beïnvloed. Ik ben altijd overstuur om niets.
(7) Ik zie alleen maar het verleden.
Wanneer ik om me heen kijk, veroordeel ik de wereld waarnaar ik kijk. Ik noem dit zien. Ik reken alles en iedereen het verleden aan, waarmee ik ze tot mijn vijanden maak. Wanneer ik mezelf vergeven heb en me heb herinnerd Wie ik ben, zal ik iedereen en alles wat ik zie, zegenen. Er zal geen verleden zijn en daarom zullen er geen vijanden zijn. En ik zal met liefde kijken naar alles wat ik daarvoor niet zag.
(8) Mijn denkgeest wordt in beslag genomen door voorbije gedachten.
Ik zie alleen maar mijn eigen gedachten, en mijn denkgeest wordt in beslag genomen door het verleden. Wat kan ik dan zien zoals het is? Laat mij me herinneren dat ik naar het verleden kijk om te voorkomen dat het heden in mijn denkgeest daagt. Laat me begrijpen dat ik tijd probeer te gebruiken tegen God. Laat me leren het verleden weg te geven door me te realiseren dat ik door dat te doen niets opgeef.
(9) Ik zie niets zoals het nu is.
Als ik niets zie zoals het nu is, kan terecht gezegd worden dat ik niets zie. Ik kan alleen zien wat nu is. De keuze is niet het verleden of het heden zien, de keuze is slechts: zien of niet zien. Wat ik verkoos te zien, heeft me visie gekost. Nu zou ik opnieuw willen kiezen opdat ik kan zien.
(10) Mijn gedachten betekenen niets.
Ik heb geen privégedachten. Toch zijn het alleen maar privégedachten die ik gewaar ben. Wat kunnen deze gedachten betekenen? Ze bestaan niet en dus betekenen ze niets. Toch is mijn denkgeest deel van de schepping en deel van de Schepper ervan. Zou ik mij niet liever verbinden met het denken van het universum dan alles wat werkelijk het mijne is te verduisteren met mijn armzalige, betekenisloze “privégedachten”?
(11) Mijn betekenisloze gedachten laten mij een betekenisloze wereld zien.
Omdat de gedachten die ik gewaar ben niets betekenen, kan de wereld die ze afbeeldt geen betekenis hebben. Dat waar deze wereld uit voortkomt, is waanzinnig en dat wat ze zelf voortbrengt eveneens. De werkelijkheid is niet waanzinnig, en ik heb zowel werkelijke als waanzinnige gedachten. Ik kan daarom een werkelijke wereld zien als ik mij daarbij laat leiden door mijn werkelijke gedachten.
(12) Ik ben overstuur omdat ik een betekenisloze wereld zie.
Waanzinnige gedachten maken overstuur. Ze brengen een wereld voort waarin nergens orde is. Alleen chaos heerst over een wereld die chaotisch denken vertegenwoordigt, en chaos kent geen wetten. Ik kan in zo’n wereld niet in vrede leven. Ik ben dankbaar dat deze wereld niet werkelijk is en dat ik haar helemaal niet hoef te zien, tenzij ik ervoor kies haar waarde toe te kennen. En ik kies er niet voor waarde toe te kennen aan wat totaal waanzinnig is en geen betekenis heeft.
(13) Een betekenisloze wereld baart angst.
Wat totaal waanzinnig is, baart angst omdat het volkomen onbetrouwbaar is en geen grond voor vertrouwen biedt. Niets is betrouwbaar bij krankzinnigheid. Ze biedt geen veiligheid en geen hoop. Maar zo’n wereld is niet werkelijk. Ik heb haar de illusie van werkelijkheid gegeven en heb geleden door mijn geloof erin. Nu kies ik ervoor dit geloof in te trekken en mijn vertrouwen in de werkelijkheid te stellen. Door hiervoor te kiezen zal ik aan alle gevolgen van de wereld van angst ontsnappen omdat ik erken dat deze niet bestaat.
(14) God heeft geen betekenisloze wereld geschapen.
Hoe kan er een betekenisloze wereld bestaan als God die niet geschapen heeft? Hij is de Bron van alle betekenis, en alles wat werkelijk is, is in Zijn Denkgeest. Het is ook in mijn denkgeest omdat Hij het met mij geschapen heeft. Waarom zou ik blijven lijden onder de gevolgen van mijn eigen waanzinnige gedachten wanneer de perfectie van de schepping mijn thuis is? Laat mij me de kracht van mijn beslissing herinneren en herkennen waar ik werkelijk verblijf.
(15) Mijn gedachten zijn beelden die ik heb gemaakt.
Alles wat ik zie weerspiegelt mijn gedachten. Het zijn mijn gedachten die mij vertellen waar ik ben en wat ik ben. Het feit dat ik een wereld zie waarin lijden en verlies en dood is, toont mij dat ik slechts de weergave van mijn waanzinnige gedachten zie, en dat ik niet toelaat dat mijn werkelijke gedachten hun weldadig licht werpen op wat ik zie. Toch is Gods weg zeker. De beelden die ik heb gemaakt, kunnen over Hem niet zegevieren omdat het niet mijn wil is dat ze dat doen. Mijn wil is de Zijne en ik wil geen andere goden voor Hem plaatsen.
(16) Ik heb geen neutrale gedachten.
Neutrale gedachten zijn onmogelijk omdat alle gedachten kracht hebben. Ze zullen of een onechte wereld maken of mij naar de werkelijke wereld leiden. Maar gedachten kunnen niet zonder gevolgen zijn. Zoals de wereld die ik zie uit mijn denkfouten voortkomt, zo zal de werkelijke wereld voor mijn ogen oprijzen als ik mijn dwalingen laat corrigeren. Mijn gedachten kunnen niet noch waar, noch onwaar zijn. Ze moeten het één of het ander zijn. Wat ik zie toont mij wat ze zijn.
(17) Ik zie geen neutrale dingen.
Wat ik zie getuigt van wat ik denk. Als ik niet dacht, zou ik niet bestaan omdat leven gedachte is. Laat mij naar de wereld die ik zie kijken als de weergave van de toestand van mijn eigen denkgeest. Ik weet dat de staat van mijn denkgeest kan veranderen. En dus weet ik ook dat de wereld die ik zie eveneens kan veranderen.
(18) Ik ben niet de enige die de gevolgen ervaart van mijn zien.
Als ik geen privégedachten heb, kan ik niet een privéwereld zien. Zelfs het krankzinnige idee van afscheiding moest gedeeld worden voordat het de basis kon vormen van de wereld die ik zie. Maar dat delen was een delen van niets. Ik kan ook een beroep doen op mijn werkelijke gedachten, die alles met iedereen delen. Zoals mijn gedachten van afscheiding de afscheidingsgedachten van anderen oproepen, zo doen mijn werkelijke gedachten de werkelijke gedachten in hen ontwaken. En de wereld die mij door mijn werkelijke gedachten getoond wordt, zal voor hun aanblik dagen alsook voor de mijne.
(19) Ik ben niet alleen in het ervaren van de gevolgen van mijn gedachten.
Ik ben in niets alleen. Alles wat ik denk of zeg of doe, onderricht heel het universum. Een Zoon van God kan niet vruchteloos denken of spreken of handelen. Hij kan niet in iets alleen zijn. Het ligt daarom in mijn macht om elke denkgeest samen met die van mij te veranderen, want aan mij is de macht van God.
(20) Ik ben vastbesloten te zien.
Nu ik de gedeelde aard van mijn gedachten erken, ben ik vastbesloten te zien. Ik zou willen kijken naar de getuigen die me tonen dat het denken van de wereld is veranderd. Ik zou het bewijs willen aanschouwen dat wat via mij is gedaan, liefde in staat gesteld heeft de plaats in te nemen van angst, lachen de plaats van tranen en overvloed de plaats van verlies. Ik zou naar de werkelijke wereld willen kijken en die mij laten onderwijzen dat mijn wil en de Wil van God één zijn.
(21) Ik ben vastbesloten de dingen anders te zien.
Wat ik nu zie, zijn slechts tekenen van ziekte, rampspoed en dood. Dit kan niet zijn wat God voor Zijn geliefde Zoon heeft geschapen. Alleen al het feit dat ik zulke dingen zie, is het bewijs dat ik God niet begrijp. Daarom begrijp ik Zijn Zoon ook niet. Wat ik zie, vertelt me dat ik niet weet wie ik ben. Ik ben vastbesloten de getuigen van de waarheid in mij te zien, liever dan die, die mij een illusie van mezelf tonen.
(22) Wat ik zie is een vorm van wraak.
De wereld die ik zie, kun je moeilijk de weergave van liefdevolle gedachten noemen. Ze is een beeld van hoe alles alles aanvalt. Ze is allesbehalve een weerspiegeling van de Liefde van God en de Liefde van Zijn Zoon. Het zijn mijn eigen aanvalsgedachten die dit beeld doen ontstaan. Mijn liefdevolle gedachten zullen mij van deze waarneming van de wereld redden, en mij de vrede geven die God wilde dat ik had.
(23) Ik kan aan deze wereld ontsnappen door aanvalsgedachten op te geven.
Hierin ligt verlossing en nergens anders in. Zonder aanvalsgedachten zou ik niet een wereld van aanval kunnen zien. Wanneer vergeving toelaat dat liefde tot mijn gewaarzijn terugkeert, zal ik een wereld van vrede en veiligheid en vreugde zien. En dít verkies ik te zien in plaats van datgene waar ik nu naar kijk.
(24) Ik neem niet waar wat mijn eigen hoogste belang is.
Hoe zou ik mijn eigen hoogste belang kunnen herkennen wanneer ik niet weet wie ik ben? Wat ik denk dat mijn hoogste belang is, bindt me alleen maar meer aan de wereld van illusies. Ik ben bereid de Gids die God mij gegeven heeft te volgen om te ontdekken wat mijn eigen hoogste belang is, in de erkenning dat ik het niet uit mijzelf kan waarnemen.
(25) Ik weet van niets waartoe het dient.
Voor mij is het doel van alles te bewijzen dat mijn illusies over mijzelf werkelijk zijn. Voor dit doel probeer ik alles en iedereen te gebruiken. En voor dit doel geloof ik dat de wereld dient. Daarom herken ik het werkelijke doel ervan niet. Het doel dat ik aan de wereld heb gegeven, heeft tot een beangstigend beeld ervan geleid. Laat ik mijn denkgeest openen voor het werkelijke doel van de wereld, door het doel dat ik eraan gegeven heb terug te nemen en de waarheid erover te leren.
(26) Mijn aanvalsgedachten zijn een aanval op mijn onkwetsbaarheid.
Hoe kan ik weten wie ik ben wanneer ik het idee heb dat ik voortdurend wordt aangevallen? Pijn, ziekte, verlies, ouderdom en dood lijken me te bedreigen. Al mijn hoop, wensen en plannen lijken overgeleverd aan de genade van een wereld waarover ik geen controle heb. Toch zijn volmaakte veiligheid en volledige vervulling mijn erfgoed. Ik heb geprobeerd mijn erfgoed weg te geven in ruil voor de wereld die ik zie. Maar God heeft mijn erfgoed veilig voor mij bewaard. Mijn eigen werkelijke gedachten zullen mij leren wat het is.
(27) Boven alles wil ik zien.
Omdat ik erken dat wat ik zie weerspiegelt wat ik denk dat ik ben, realiseer ik me dat visie mijn grootste behoefte is. De wereld die ik zie getuigt van het angstwekkende karakter van het zelfbeeld dat ik heb gemaakt. Als ik mij zou willen herinneren wie ik ben, is het essentieel dat ik dit beeld van mezelf laat gaan. Wanneer het door de waarheid vervangen wordt, zal visie mij zeker worden gegeven. En met deze visie zal ik met barmhartigheid en liefde naar de wereld en mijzelf kijken.
(28) Boven alles wil ik anders zien.
De wereld die ik zie, houdt mijn angstwekkend zelfbeeld in stand en garandeert het voortduren ervan. Zolang ik de wereld zie zoals ik die nu zie, kan de waarheid mijn gewaarzijn niet binnenkomen. Ik zou willen dat de deur achter deze wereld voor mij geopend wordt, zodat ik eraan voorbij kan kijken naar de wereld die de Liefde van God weerspiegelt.
(29) God is in alles wat ik zie.
Achter elk beeld dat ik heb gemaakt, blijft de waarheid onveranderd. Achter elke sluier die ik over het gelaat van de liefde heb getrokken, blijft het licht ervan ongetemperd. Voorbij al mijn waanzinnige wensen is mijn wil, verenigd met de Wil van mijn Vader. God is nog steeds voor altijd overal en in alles. En wij, die deel van Hem zijn, zullen ooit eens voorbij alle verschijningsvormen kijken en de waarheid voorbij al deze herkennen.
(30) God is in alles wat ik zie omdat God in mijn denkgeest is.
In mijn eigen denkgeest, achter al mijn waanzinnige gedachten van afscheiding en aanval, is de kennis dat alles eeuwig één is. Ik heb de kennis van wie ik ben niet verloren omdat ik het vergeten ben. Ze is voor mij bewaard in de Denkgeest van God, Die Zijn Gedachten niet verlaten heeft. En ik, die te midden van hen ben, ben één met hen en één met Hem.
(31) Ik ben niet het slachtoffer van de wereld die ik zie.
Hoe kan ik het slachtoffer zijn van een wereld die volledig ongedaan kan worden gemaakt als ik dat zo verkies? Mijn ketenen zijn losgemaakt. Ik kan ze van me af laten vallen door dat alleen maar te wensen. De gevangenisdeur staat open. Ik kan vertrekken door eenvoudig naar buiten te lopen. Niets houdt mij in deze wereld. Alleen mijn wens te blijven houdt me gevangen. Ik zou mijn waanzinnige wensen willen opgeven en eindelijk het zonlicht willen inlopen.
(32) Ik heb de wereld die ik zie verzonnen.
Ik heb de gevangenis waarin ik mezelf zie, verzonnen. Ik hoef dit alleen maar te erkennen en ik ben vrij. Ik heb mezelf misleid door te geloven dat het mogelijk is de Zoon van God gevangen te zetten. Ik heb mij bitter vergist en wil dat niet langer blijven geloven. De Zoon van God moet eeuwig vrij zijn. Hij is zoals God hem geschapen heeft en niet wat ik van hem wilde maken. Hij is waar God heeft gewild dat hij is en niet waar ik dacht hem gevangen te houden.
(33) Er is een andere manier om naar de wereld te kijken.
Omdat het doel van de wereld niet het doel is dat ik eraan heb toegeschreven, moet er een andere manier zijn om ernaar te kijken. Ik zie alles ondersteboven, en mijn gedachten zijn het tegenovergestelde van waarheid. Ik zie de wereld als een gevangenis voor Gods Zoon. Het moet dan wel zo zijn dat de wereld in werkelijkheid een plaats is waar hij kan worden bevrijd. Ik zou naar de wereld willen kijken zoals die is, en haar als een plaats zien waar de Zoon van God zijn vrijheid vindt.
(34) Ik zou in plaats hiervan vrede kunnen zien.
Wanneer ik de wereld als een plaats van vrijheid zie, realiseer ik me dat ze de wetten van God weerspiegelt in plaats van de regels die ik heb bedacht en waaraan ze volgens mij moet gehoorzamen. Ik wil begrijpen dat daarin vrede en geen oorlog huist. En ik wil waarnemen dat vrede huist, ook in de harten van allen, die deze plaats met mij delen.
(35) Mijn denkgeest is deel van Die van God. Ik ben heel heilig.
Omdat ik de vrede van de wereld met mijn broeders deel, begin ik te begrijpen dat deze vrede diep in mij zijn oorsprong vindt. De wereld waar ik naar kijk, heeft het licht van mijn vergeving aangenomen en straalt vergeving naar mij terug. In dit licht begin ik te zien wat mijn illusies over mezelf verborgen hebben gehouden. Ik begin de heiligheid van al wat leeft, mezelf incluis en de eenheid ervan met mij, te begrijpen.
(36) Mijn heiligheid omhult alles wat ik zie.
Vanuit mijn heiligheid komt de waarneming van de werkelijke wereld. Nu ik vergeven heb, zie ik mezelf niet langer als schuldig. Ik kan de onschuld, die de waarheid over mij is, accepteren. Gezien door begrijpende ogen is de heiligheid van de wereld alles wat ik zie, want ik kan mij alleen maar een beeld vormen van de gedachten die ik over mezelf heb.
(37) Mijn heiligheid zegent de wereld.
De waarneming van mijn heiligheid zegent niet mij alleen. Alles en iedereen die ik in het licht ervan zie, deelt in de vreugde die ze mij brengt. Er is niets wat buiten deze vreugde staat omdat er niets is wat mijn heiligheid niet deelt. Naarmate ik mijn heiligheid herken, straalt ook de wereld in heiligheid, zichtbaar voor iedereen.
(38) Er is niets wat mijn heiligheid niet kan doen.
Mijn heiligheid is onbegrensd in haar vermogen te genezen omdat ze onbegrensd is in haar vermogen te verlossen. Waar moeten we van worden verlost, behalve van illusies? En wat zijn alle illusies behalve valse ideeën over mijzelf? Mijn heiligheid maakt ze alle ongedaan door de waarheid over mij te verklaren. In de aanwezigheid van mijn heiligheid, die ik met God Zelf deel, verdwijnen alle afgoden.
(39) Mijn heiligheid is mijn verlossing.
Omdat mijn heiligheid me van alle schuld redt, betekent het herkennen van mijn heiligheid het herkennen van mijn verlossing. Het is ook het herkennen van de verlossing van de wereld. Als ik eenmaal mijn heiligheid heb aanvaard, kan niets mij bang maken. En omdat ik onbevreesd ben, moet iedereen delen in mijn begrip, wat de gift is van God aan mij en aan de wereld.
(40) Ik ben gezegend als een Zoon van God.
Hierin ligt mijn aanspraak op al het goede en alleen maar het goede. Ik ben gezegend als een Zoon van God. Alle goede dingen horen mij toe omdat God ze voor mij heeft gewild. Ik kan op geen enkele manier verlies, ontbering of pijn lijden op grond van Wie ik ben. Mijn Vader steunt me, beschermt me en leidt me in alle dingen. Zijn zorg voor mij is oneindig en is voor altijd met mij. Ik ben eeuwig gezegend als Zijn Zoon.
(41) God is bij me, waar ik ook ga.
Hoe kan ik alleen zijn wanneer God altijd bij me is? Hoe kan ik vol twijfel en onzeker van mijzelf zijn als volmaakte zekerheid in Hem verblijft? Hoe kan ik door iets verward raken wanneer Hij in absolute vrede in mij rust? Hoe kan ik lijden wanneer liefde en vreugde mij door middel van Hem omringen? Laat mij geen illusies koesteren over mezelf. Ik ben volmaakt omdat God bij me is, waar ik ook ga.
(42) God is mijn kracht. Visie is Zijn gift.
Laat mij vandaag niet op mijn eigen ogen vertrouwen om te zien. Laat mij bereidwillig zijn mijn armzalige illusie van zien uit te wisselen voor de visie die door God gegeven is. De visie van Christus is Zijn gift en Hij heeft die aan mij gegeven. Op deze gift wil ik vandaag een beroep doen, zodat deze dag mij helpt de eeuwigheid te begrijpen.
(43) God is mijn Bron. Los van Hem kan ik niet zien.
Ik kan zien wat God wil dat ik zie. Ik kan niet iets anders zien. Voorbij Zijn Wil liggen alleen maar illusies. Deze kies ik wanneer ik denk dat ik los van Hem kan zien. Deze kies ik wanneer ik met de ogen van het lichaam probeer te zien. Maar de visie van Christus is me gegeven om ze te vervangen. Vanuit deze visie verkies ik te zien.
(44) God is het licht waarin ik zie.
Ik kan niet zien in duisternis. God is het enige licht. Daarom, als ik wil zien, moet het via Hem zijn. Ik heb geprobeerd te definiëren wat zien is en ik had het verkeerd. Nu wordt het me gegeven te begrijpen dat God het licht is waarin ik zie. Laat mij visie welkom heten en de gelukkige wereld die ze mij zal tonen.
(45) God is de Denkgeest waarmee ik denk.
Ik heb geen gedachten die ik niet met God deel. Ik heb geen gedachten los van Hem omdat ik geen denkgeest heb los van de Zijne. Als deel van Zijn Denkgeest zijn mijn gedachten de Zijne en Zijn Gedachten de mijne.
(46) God is de Liefde waarin ik vergeef.
God vergeeft niet omdat Hij nooit veroordeeld heeft. De schuldelozen kunnen niet beschuldigen en zij die hun onschuld hebben geaccepteerd, zien niets om te vergeven. Toch is vergeving het middel waardoor ik mijn onschuld zal herkennen. Ze is de weerspiegeling van Gods Liefde op aarde. Ze zal me zo dicht bij de Hemel brengen dat de Liefde van God naar mij omlaag kan reiken en mij kan optillen naar Hem.
(47) God is de kracht waarop ik vertrouw.
Het is niet mijn eigen kracht waardoor ik vergeef. Het is door de kracht van God in mij, die ik me herinner wanneer ik vergeef. Wanneer ik begin te zien, herken ik Zijn weerspiegeling op aarde. Ik vergeef alle dingen omdat ik Zijn kracht in mij voel opkomen. En ik begin me de Liefde te herinneren die ik verkoos te vergeten maar die mij niet vergeten heeft.
(48) Er valt niets te vrezen.
Hoe veilig zal de wereld er voor mij uitzien wanneer ik haar kan zien! Ze zal in geen enkel opzicht lijken op wat ik me inbeeld nu te zien. Iedereen en alles wat ik zie zal naar mij overleunen om mij te zegenen. Ik zal in iedereen mijn meest geliefde Vriend herkennen. Wat zou er te vrezen kunnen zijn in een wereld die ik vergeven heb en die mij vergeven heeft?
(49) Gods Stem spreekt tot mij de hele dag door.
Er is niet één moment waarop Gods Stem ophoudt een beroep te doen op mijn vergevingsgezindheid om mij te verlossen. Er is niet één moment waarop Zijn Stem faalt mijn gedachten te richten, mijn handelingen te leiden, mijn voeten te sturen. Ik loop gestadig naar de waarheid toe. Ik kan nergens anders heen, want Gods Stem is de enige Stem en de enige Gids die aan Zijn Zoon gegeven is.
(50) Ik word onderhouden door de Liefde van God.
Wanneer ik luister naar Gods Stem word ik door zijn Liefde onderhouden. Wanneer ik mijn ogen open, doet Zijn Liefde de wereld oplichten opdat ik kan zien. Wanneer ik vergeef, herinnert Zijn Liefde mij eraan dat Zijn Zoon zondeloos is. En wanneer ik naar de wereld kijk met de visie die Hij me heeft gegeven, herinner ik mij dat ik Zijn Zoon ben.
De les die Jezus graag wilt dat je leert:
Er is geen dood want de Zoon van God is als zijn Vader. Niets wat jij kunt doen kan Eeuwige Liefde veranderen. Vergeet je dromen van zonde en schuld, en kom in plaats daarvan met mij mee om te delen in de wederopstanding van Gods Zoon. En breng al diegenen met je mee die Hij jou heeft gestuurd om voor te zorgen, zoals ik zorg voor jou.
Dankbaarheid
Dankbaarheid jegens God wordt de manier waarop Hij wordt herinnerd, want liefde komt vlak na een dankbaar hart en een van dank vervulde denkgeest. God komt gemakkelijk binnen, want dit zijn de ware voorwaarden voor jouw thuiskomst.
Laat ons bidden:
Wees nu gezegend bij alles wat je doet.
God wendt Zich tot jou voor hulp
om de wereld te verlossen.
Leraar van God, Zijn dank biedt Hij jou aan
en de hele wereld ondergaat zwijgend de genade
die jij meebrengt van Hem.
Jij bent de Zoon die Hij liefheeft
en het is jou gegeven het middel te zijn
waardoor Zijn Stem
over de hele wereld wordt gehoord.
Om alle dingen van tijd af te sluiten,
om de aanblik van al het zichtbare te beëindigen
en om alle dingen die veranderen
ongedaan te maken.
Door jou heen wordt een wereld ingeluid,
ongezien en ongehoord maar niettemin aanwezig.
Heilig ben jij en in jouw licht
weerspiegelt de wereld jouw heiligheid
want jij bent niet alleen en zonder vrienden.
Ik zeg dank voor jou en verbind mij met jou
in jouw inspanningen ten behoeve van God,
wetend dat zij ook voor mij zijn
en voor al diegenen die met mij naar God gaan.
AMEN
Bibliografie
Vertaald uit:
A Course in Miracles
Text, Workbook for Students, Manual for Teachers
Criswell Edition, 1975
Nederlandse vertaling van deze 50 lessen:
MOM-Nederland
Uitgave:
Magnum Opus Ministries Nederland
Eerste druk : augustus 2008
Tweede druk : december 2008
Aanbevolen om te lezen:
Een Cursus In Wonderen
Tekstboek, Werkboek, Handboek voor Leraren
ISBN 90-202-81763-0 Hardcover
ISBN 90-202-8316-2, Paperback, dundrukuitgave.